24-05-26 Een locatietheater-triatlon noemen ze het zelf, de leden van Collectief Blauwdruk: het voor het eerst op één avond spelen van hun al eerder los opgevoerde bewerkingen van de Vondelklassiekers Adam in Ballingschap, Lucifer en Gijsbrecht van Amstel. In het kader van het Theaterfestival Karavaan is het Alkmaars stadsgezelschap neergestreken op en rond de ruïnes van Kasteel Egmond. Het publiek verplaatst zich tussentijds van tribune naar tribune terwijl de acteurs razendsnel van outfit en rol wisselen.
Engels, Nederlands en potjeslatijn
Uiterst vrije bewerkingen zijn het. Vondel ging ‘door de shredder’ en zou misschien zelf wel in Blauwdrukidioom met ‘Quod de Fock?’ hebben gereageerd op het resultaat.
Het levert een lange, maar boeiende theateravond op over de privileges van de westerse mens. Het jonge collectief overtuigt in de combinatie van stukken des te meer met hun energieke stijl en spitse teksten waarin razendsnel tussen Engels, trendy (maar soms juist ook barok) Nederlands en potjeslatijn wordt geschakeld. God is bijvoorbeeld niet gewoon ‘dood’, in het als tweede gespeelde Recht op de Hemel, maar “Ons Deus aller hemelae is dood. Morsdede. Dodimus.”
Een locatietheater-triatlon noemen ze het zelf, de leden van Collectief Blauwdruk: het voor het eerst op één avond spelen van hun al eerder los opgevoerde bewerkingen van de Vondelklassiekers Adam in Ballingschap, Lucifer en Gijsbrecht van Amstel. In het kader van het Theaterfestival Karavaan is het Alkmaars stadsgezelschap neergestreken op en rond de ruïnes van Kasteel Egmond. Het publiek verplaatst zich tussentijds van tribune naar tribune terwijl de acteurs razendsnel van outfit en rol wisselen.
Motorzaag
Lucifer (Romijn Scholten), de gevallen engel, constateert het gelaten, boven op een zandhoop. Beëlzebub (Stijn Panis) zwaait boos met een motorzaag; hij wil de mensheid te lijf. Hemelse boodschapper Gabriel (gastacteur Dinda Provily) probeert de voormalig engelen juist te laten integreren in de mensenwereld en komt aanfietsen met een grote boodschappentas van Albert Heijn.
Het is theater van het grote gebaar, maar met momenten van verstilling en subtiele lijntjes tussen de stukken. Neem het appeltje dat uit Gabriels AH-tas rolt. Net zo glanzend rood als de overbekende vrucht uit het eerste deel Paradijs aan het einde: “‘k Heb de vrucht geplukt. Dat ding zo van die tak gerukt. En daarmee onze afspraak in den aars gefucked,” dixit Eva daarin.
Regionaal chauvinisme
Een bode (Bram Walter) vindt in het derde deel Ik Hoop op Zegenprecies zo’n appel in zijn zak en gooit hem achteloos in het water. Daarin ligt heer Gijsbrecht (Panis) naast het dak van zijn huis, waarop zijn man Badeloch (gastacteur Alex Hendrickx) staat te hozen. Fijn staaltje regionaal chauvinisme: het is 2126 en alleen Alkmaar steekt nog boven water uit (je bent stadsgezelschap of niet).
Theater met een vette knipoog, maar ook met gevoel voor actualiteit: Gijsbrecht weigert asiel te aanvaarden in Duitsland omdat hij de vreemdelingenopvang vreest. Het prachtige decor geeft in de avondschemer ook nog een cadeautje. Net als Gijsbrecht het lijk van zijn broer Arend laat wegdrijven, slaat de torenklok bij de ruïne elf keer. Dat verzin je niet.
BRON: TROUW