23-05-26 Een tractor dendert dwars door de sloot. Modder spat op tot aan de speelvloer, terwijl boven het weiland een meerstemmig koor aanzwelt. Even later klapt een vuilcontainer open en stort afval over het grasland uit. Dit verdronken land wil groots zijn: muziektheater, familiegeschiedenis en maatschappelijk portret tegelijk. Maar onderweg raakt het overzicht geregeld kwijt.
Het is een locatie om verliefd op te worden. Dit verdronken land, waarmee Festival Karavaan haar tienjarige jubileum viert, speelt in een weiland vol boterbloemen en hoog gras, met sloten waarin wordt rondgestampt, schapen die onverstoorbaar grazen en een zwaan die af en toe langs het speelvlak scharrelt alsof hij speciaal voor deze productie is ingehuurd.
Midden op dat land staat een houten constructie van op elkaar getimmerde palen, waaraan een vuilcontainer, een kruiwagen en een melkvat hangen. Er loopt een ladder omhoog naar een soort kraaiennest, vanwaar de spelers uitkijken over de polder. De scenografie van Luca Andrea Stappers en Dieuweke van Reij is zonder twijfel het grote pluspunt van de voorstelling. Ook de kostuums dragen bij aan de mooie beeldtaal. De spelers dragen witte T-shirts, bruine jasjes en wijde broeken bedrukt met sloten, molens en agrarische landschappen, alsof het polderleven letterlijk over de lichamen heen is getrokken. Alles ademt klei, water en weiland.
Tekstschrijvers Hendrik de Pecker en Marlies Bosmans bewerkten samen met regisseur Marcel Sijm de gelijknamige roman van Renske Jonkman tot muziektheater over vooruitgang, liefde voor het platteland en de komst van de ruilverkaveling. Het is 1956, we bevinden ons in een poldergebied waar de blubber overal aanwezig is: in greppels, sloten en tot diep in je laarzen. Zus Janna (Marit Oudshoorn) en broers Krijn en Lucas (Jovan Smilda en Stijn Schootstra) praten over schulden, machines en de vraag of ze mee moeten in de modernisering van het land.
Aanjager daarvan is Meneer De Blauw (Erik van der Horst), die in een overtuigende zangsolo uitlegt wat ruilverkaveling precies inhoudt: kleine, versnipperde stukken landbouwgrond samenvoegen tot grotere kavels waar machines efficiënter kunnen werken. ‘Modder geeft en modder neemt’, klinkt het ergens dreigend door het veld.
Het uitgangspunt is sterk: vooruitgang tegenover traditie, efficiëntie tegenover liefde voor het land waarop generaties zijn grootgebracht. En in de tekst zitten genoeg mooie vondsten om dat conflict voelbaar te maken, zoals: ‘Leven in de delta is een soort boekhouding, nooit klaar.’
Juist daarom is het frustrerend dat regisseur Sijm zo weinig vertrouwen in die tekst lijkt te hebben. In plaats van rust te bewaren en de personages ruimte te geven, stapelt hij effect op effect. Muziek, koorpartijen, beweging, tractors, grote gebaren: alles moet voortdurend tegelijk gebeuren. Daardoor ontstaat geen spanning, maar onrust.
Sijm lijkt bang voor stilte of eenvoud. Zodra een scène emotioneel interessant dreigt te worden, volgt een muzikaal intermezzo, een abrupte overgang of een geforceerde verwijzing naar hedendaagse thema’s als stikstof en voedselproblematiek. Die toevoegingen komen niet voort uit het verhaal, maar uit een behoefte om de relevantie te benadrukken. Het resultaat is een voorstelling die voortdurend aan het duwen en trekken is, waardoor de inhoud nergens echt kan landen.
Dat is jammer, want er zitten scènes in die wél overtuigen. Kort na de opening bijvoorbeeld, in een meerstemmig, melancholisch lied over storm en wind dat over het weiland draagt. ‘Laat de dijken niet breken’, zingt het koor. Daarna ineens een donderslag. ‘Hij is dood.’ De volledige cast zakt door de knieën in het gras, terwijl Lucas in paniek roept: ‘Was ik bij hem gebleven, dan had hij nu nog geleefd’, doelend op hun vader.
De cast speelt met grote fysieke energie. Vooral Meneer De Blauw maakt indruk, zeker wanneer hij boven op een tractor het weiland op dendert om de boeren over te halen zich over te geven aan de vooruitgang. Ook muzikaal zit er veel kracht in de voorstelling, mede door het koor en de bijdrages van klarinettist Poppie-Joy Gillet, die meerdere keren de dialoog aangaat met de spelers.
Toch raakt de voorstelling steeds opnieuw uit balans. Het koor, dat met flinke uithalers en vaak meerstemmig inzet, zou het verhaal moeten ondersteunen, maar neemt te vaak de overhand. Daardoor verschuift de aandacht van spel en tekst naar muziek, en voelt de voorstelling geregeld meer als een concert dan als theater. Waar de muzikale intermezzo’s verdieping zouden moeten geven, drukken ze het verhaal juist weg.
Visueel blijft er ondertussen van alles te beleven. In een opvallende scène helpen Janna en Lucas een kalf ter wereld brengen. Om de beurt verdwijnen hun armen in een gat in de aarde, dat een koeienkut moet voorstellen, terwijl boven hen een hijsconstructie langzaam een bebloede rode doek omhoog trekt. Of daarvoor, een scène waarin een vuilcontainer zich opent en afval op het land dumpt. Ook is het fraai hoe de stemmen van de acteurs tegen de grote schuur op het naburige land echoën. En niet te vergeten: de licht weeïge geur van vlaaien in het gras.
Dit verdronken land had baat gehad bij meer focus en diepgang. Nu blijft er vooral een mooi decor over, en een gevoel van gemiste kansen.